vrijdag 8 mei 2026

Shenanigans deeltje veel meer.

 Het voelde wat kaal en leeg, maar ik kon dat gevoel niet zo snel plaatsen. Meer zo'n vreemd onderbuikgevoel. En dan niet politiek gezien, zeg maar. 
We waren bezig om de laatste spullen te pakken, de troep van een paar dagen vertoefd te hebben in een lucht-bed-en-ontbijt. 
Dat betekent dat je de bedden afhaalt, de vuilnisbakken leegt, je koffers pakt en meer van dat soort huishoudelijke klusjes. 
Aan het eind gekomen van die hele lijst aan taakjes ging ik nog even zitten, en voelde dus iets kaals. 
Ik greep naar mijn pakje sigaretten teneinde er één uit te vissen en op te steken, toen ik mijn rechterhand zag. Het duurde een paar seconden voor ik in de gaten had dat het daar dus mankeerde. Ik zag namelijk niet 2 ringen aan mijn hand, maar nog maar slechts één. 
De missende ring was de ring van mijn oma. 
Het zweet brak me uit. 
Mijn hartslag ging spontaan over op standje Max Verstappen. 
Mijn mond en keel werden droog als de Sahara. 
Adrenaline spoot als stoom uit mijn oren, als tranen uit mijn ogen en middels verbaal braaksel uit mijn mond.
Niet heel erg zachtjes begon ik te vloeken als een bootwerker die een anker op zijn kleine teen voelde wiebelen. 
Als een volslagen getikte begon ik eerst het afgehaalde beddengoed uit de mand te trekken en te bevoelen. Schudden, klapperen, wapperen. (Me te laat realiserend dat als die ring daarin gezeten had, die waarschijnlijk naar een andere niet-herleidbare plek gelanceerd zou worden). 
Mijn rugzak keerde ik binnenstebuiten. 
Ik controleerde de gereedstaande vuilniszak. En met een grom van complete walging en vernedering opende ik de afvalcontainer om dan daar in godsnaam maar te gaan graven naar die sakkerse ring. 
Jente en Ilse zochten mee. Ilse is sowieso veel beter in zoeken en vinden, en Jente is gezegend met een stel ogen waar ik jaloers op ben. 
Helaas. Geen ring. 
De laatste plaats waar je kijkt, vindt je de spullen die je kwijt bent. Dat is nu eenmaal een gegeven. 
En zo vond ik bij het nogmaals omkeren van mijn rugzak, mijn ring terug. 
Rinkelend tussen de de slang en het masker van mijn apneu-apparaat. 
Mijn hartslag kwam tot rust. Het zweet droogde op (sorry mede-reizigers, de deodorant was al ingepakt), mijn mond en keel kregen spontaan weer wat nattigs, en het adrenalinepeil daalde (mogelijk wat traag) tot acceptabele waarden. 
Ik denk zeker te weten waarom die ring daar terecht kwam. 
Ik had namelijk het geniale, doch weinig goed doordachte idee dat die ring beter zou staan om mijn pink, in plaats van om mijn ringvinger. En op zich, esthetisch gezien, klopt dat (als een zwerende vinger). 
Maar mijn vingers en ringen zijn een wat onhandige combinatie. 
Er was een tijd dat ik moeite had met het plaatsen van ringen, want mijn vingers waren wat aan de forse kant. Van die opgepompte knakworstjes. Of eigenlijk meer braadworsten. 
Maar sinds mijn onovertroffen diabetesverpleegkundige mij aan een bepaald spulletje hielp dat mijn bloedsuiker spiegel op een correct niveau wist te krijgen, ben ik wel een kilootje of 25 kwijt geraakt. En dat heeft mijn braadworsten terug gebracht naar het niveau van gecontroleerd bewegende struikentakjes. 
Ringen zitten niet meer zo strak als dat ze eerst zaten. 
En dit akkefietje was niet de eerste ellende die ik daarvan ondervond. Ik vertelde al eens dat ik tot mijn grote schaamte een ring in een toiletborstel-opvang-bak liet kletteren in het ziekenhuis. 
Ook heb ik meermaals tijdens het afdrogen van mijn handen, mijn ring(en) er af gedroogd. 
Dat leidde er toe dat ik een stoere en mannelijke ketting kocht om mijn ringen aan te hangen. Maar goed, de ringen die ik nu draag, passen dus aardig om mijn vingers, mits ik ze op de vingers hou die die ringen dus ook vast kunnen houden. 
Waarom ik toch besloot om de esthetiek voorrang te geven op behoud, zal wel altijd een raadsel blijven. De gedachtengang van deze ADHD'er zijn vaak onnavolgbaar. 
Stupide is het wél. Ik besloot om die ring zelf te gaan dragen, om te voorkomen dat die ergens zou verdwijnen op een plek waar ze niet meer te vinden zou zijn. Jente krijgt het ding later als ze daar groot genoeg voor is, en dan wil ik niet dat we er naar op zoek moeten. 
Maar dan moet ik dus niet vaker dit soort stunts uit gaan halen! Ik ben benieuwd hoevaak dit me nog gaat overkomen. 

Zoals beschreven: mijn handelingen reflecteren niet altijd mijn verder best wel frisse en fruitige verstand. 
Mijn verstand vertelt me namelijk best wel vaak dat het niet noodzakelijk is om andermans eigendommen te stelen of te vernielen. Ik zou het soms wel willen, vooral in vlagen van terechte rancune. Maar moraal en mogelijke consequenties weerhouden me van al te drieste acties. 
Bovendien: als ik rancune in daden om wil zetten, is het veel bevredigender om de persoon zelf te grazen te nemen dan zijn bezit. 
Wat ik dus totaal niet begrijp is dat er untermenschen rondlopen die het momument op de Dam bekladden omdat ze (heel terecht) de schurft hebben aan Netanyahu en zijn bende walgelijke moordenaars. 
Ik ben het helemaal met ze eens: meneer Netanyahu heeft erg goed opgelet toen ome Adolf ons leerde hoe je complete volkeren moet afslachten. Meneer Netanyahu zat waarschijnlijk vooraan in de klas, geilend op de schier onuitputtelijke lijst van truckjes om hele populaties te doen verdwijnen. 
Als ik niet veel te nuchter was, zou ik een theorie kunnen verzinnen waaruit blijkt dat meneer Netanyahu gewoon een zoon was van ome Adolf. 
U ziet: ik ben geen groot fan van dat Israelische monster. 
Maar dat betekent niet dat ik vind dat het bekladden van het monument op de Dam daar ook maar iets aan oplost. Meneer Netanyahu grinnikt daarom, en verzint nog een paar plannetjes om wat mensen uit te moorden. 
Ik vind dus dat het bekladden van een monument zelfs een nogal laffe daad. 
Dat monument is namelijk een monument voor de mensen die een heel andere oorlog niet hebben overleefd. Voor mensen die ervoor hebben gevochten dat wij in alle vrijheid kunnen vinden en roepen dat een man als Netanyahu een walgelijk monster is. Wij mogen roepen dat Geert Wilders een niet te bevatten paardenlul is, en meneer Jetten een smerige huichelaar. 
Dat mogen wij, met dank aan de mensen die we eren middels dat monument. 
Als je dan vindt dat "Nederland" te weinig doet om de moordpartijen van Israel te stoppen, gooi dan een taart tegen het huichelachtige smoelwerk van Wilders, of Jetten. Spuit hun gezicht vol met die verf. Of beter: neem je spuitbussen mee naar Israel, en ga daar de boel onderkalken. Wellicht dat ze, voor ze je met hun geweren aan puin schieten, nog wel enig respect hebben voor de moed die je hebt. 
Maar heb een beetje fatsoen. Met dank aan de mensen die we eren bij dat monument, mag er heel erg veel in dit land. Blijf dus met je graftakken er vanaf. 
Vernielen is in wezen gewoon een gebrek aan intelligentie. En lef. 

Niet lang nadat we ons huisje betrokken, werden we vroeg in de ochtend geconfronteerd met allemaal geluiden die afkomstig leken van de plantsoenendienst. Een driftig geveeg en geruis van nog niet getemd struweel. 
Mooi, zo dacht ik nog, de gemeente neemt de taken van de plantsoenendienst erg serieus. 
Niets was minder waar. De jongens van de plantsoenendienst doen hun werk best aardig, maar niet op die tijd en sowieso niet op de plek waar het geluid vandaan kwam: onze tuin. 
Dat bleek de buurman van een huis verderop te zijn. 
Een heel erg lieve man die het tot zijn missie had gemaakt om alle tuinen in de straat bij te houden. 
In ruil daarvoor voerden wij hem vriendelijkheid, dankbaarheid en aanspraak. 
De jaren sleepten zich voort, en het fantasieloze struweel bleef in toom dankzij onze noest snoeiende buur. 
Totdat de tijdstippen wel erg buitennissig werden. In het pikkezwart van de nacht was de lieve man nog bezig. En vaak ook gehuld in kleding die, als je niet beter wist, niet helemaal gepast was voor het gemiddelde publiek van een vinexwijk. 
En ook niet helemaal passend bij het soms bijtend koude winterweer. 
De praatjes die we maakten met de buurman werden ook steeds moeilijker. En niet zozeer omdat de man geen aanspraak wilde, maar omdat de de praatjes steeds minder coherent leken te worden. 
Een glijdende schaal. 
Tot we ons op een gegeven moment af vroegen of we er niet wat mee moesten. Het begon wel erg ongemakkelijk te worden. De uitdossing en de tijdstippen. 
Ik werd aangesproken door de overbuurman. Die ons inlichtte over wat er de afgelopen dagen allemaal gebeurd is. 
Een kleurrijke man heeft onze straat verlaten. De lieve man zorgde er eigenhandig (tijdmatig ONhandig) voor dat onze straat er keurig bij lag. Dat de tuinen toonbaar waren. Iets waar niet elk huishouden tijd of zin in heeft. 
Hij leeft nog, maar dat afgrijselijk onmenselijke alzheimer heeft hem helaas laten struikelen en ingehaald. 
En ik vraag me af of ik meer had kunnen doen. Ilse heeft wel eens een kopje koffie met hem gedronken (dat opzichzelf was logistiek meer uitdagend dan dat het klinkt) en ook aangegeven dat ze hem best wel eens een lift kon geven naar waar hij dan ook heen wilde. Een incidenteel maaltijdje werd ook wel eens door ons voor hem geregeld. 
Maar toch...
Een beetje spijt ook. Want ook ik zat echt niet altijd te wachten op een praatje. En soms waren de momenten waarop hij besloot onze tuin eens grondig te gaan bijpunten wel erg onhandig, en misschien zelfs wel wat invasief. 
Had ik minder afstandelijk kunnen zijn? Ja, wellicht. En als ik alle ins en outs had geweten, had ik maar.... 
Nu is er door betrokkenen een besluit genomen, waardoor we zeker weten dat de man goed verzorgd wordt. 
Je weet pas wat je mist, als het er niet meer is, is nu wel zo'n uitspraak waar ik aan moet denken. Want ondanks de wat aparte verschijning: het is toch best wel stil... 
Ik haat alzheimer. 

Van de week was mijn beste helft jarig. 46 jaar alweer. Ik zou het haar (veiligheidshalve) niet geven.
En omdat het weer niet eens hondsberoerd leek, wenste zij dat op ons domeintje te vieren. 
Ik geef haar groot gelijk. Als het in maart ook eens briljant weer zou zijn, zou ik dat ook overwegen. 
En dus togen we met taart, poes, kind en versnaperingen naar de tuin. 
Het is lente. Dat is heel duidelijk. Ik heb de eerste passiebloem gesignaleerd, er beginnen knoppen te komen en distels zijn niet veilig voor mijn schopje. 
Mijn schoonvader is tijdens ons verblijf in Engeland als een lijpe lotje tekeer gegaan rondom onze vijver, en dat was absoluut naar onze smaak. Met dien verstande: de nieuwe vijver is de helft kleiner, dus een kale krater met water is een behoorlijk accurate omschrijving. Daar moesten dus wat planten omheen.
Ook dat bleek relatief eenvoudig te realiseren. Ergens in onze tuin, bleek een dapper vergeet-me-nietje (spreek dat eens uit op zijn Duits, dan klinkt het ineens een stuk vieziger) op een wat random plaats enorm te willen bloeien. Mooi dat die rond de vijver mocht. En zo had ik meer kleine, leuke, charmante bloemetjes gevonden die rond de vijver een herplaatsing kregen van me. 
Maar de tuin van mijn schoonouders is al 7 jaar verder, en dus hadden ze over. We zijn daar aan het scheppen gegaan. Varen, bloem x, plant y. Een kar vol. Alles lekker rond de vijver, zodat we lekker veel kleur krijgen daar. 
En uiteraard een vijgenboom. Gewoon omdat die dingen lekker zijn.
Grappig wel: bij veel planten en bloemen kreeg ik de volgende reacties:"Die heb je al, wacht maar af". 
Geduld = afwachten. En laat dat nu net niet mijn sterkste punt zijn. Of:"Ja, maar dat is onkruid". 
Een heel leuk, charmant, roze-wit-rood-oranje bloempje. Klein, bijna fragiel. En het groeit ook in onze tuin, op plekken waarvan ik oprecht denk dat moeder Natuur ons voor het lapje houdt. En zulks noemt men dan onkruid. Terwijl ik het dus serieus heel leuke bloempjes vind. Leuker dan dat walgelijke klimop ding, dat overal zijn naam eer aan doet, saai groen en intens aanwezig, waar ik het dus totaal niet hebben wil. 
En los daarvan: er waren ook allemaal stronken die we in eerdere stadia al tot stronk hadden gedegradeerd. Maar die zaten dus nog in de grond. En die moesten eruit. Gelukkig hebben we de beschikking over maar liefst 3 spades. 
Superfijn, ik hoef in het schuurtje maar te graaien, en de kans is best groot dat ik een spade in mijn handen heb. 
Spade 1, zo kwam ik achter, was echter van bedenkelijke kwaliteit. Als ik er een noest vastzittende stronk mee te lijf wilde gaan, boog die spade gewoon mee, in plaats van dat die de betreffende stronk op lichtte. 
Op zich niet bepaald vertrouwenwekkend. 
Ik kan er ongewensten mee doodmeppen, fijn. Maar dan moet ik alsnog een andere spade halen om zijn of haar graf mee te graven. Kost weer tijd. 
Spade 2: helemaal top. Doet alles. Maar dan moet ik wel de goede pakken, want die lijkt als 2 druppels water op spade 1. 
Spade 3: helemaal van metaal gemaakt. Dat leek ons handig, want metaal: dus sterk. Toch? 
Goed, ik ging dus tijdens het partijtje van Ilse zo af en toe en her en der aan de slag. Her en der wat in de grond, hier en daar wat uit de grond. En dat ging, los van het kraken van mijn 45-jarige lichaam, best voorspoedig. 
Tot ik een stronk tegenkwam, die op zijn zachtst gezegd al niet op de meest makkelijke plek stond. Erom heen stond namelijk een tentje van Jente, en een border-rolletje dat ik vers aan had gelegd, en heel moest blijven. Ik moest dus enige voorzichtigheid betrachten tijdens het woest opgraven van dit staketsel aan wortels en hout. 
Dat ging best aardig. Best voorspoedig. Een grote kniptang bood verlossing voor dikke wortels die in onhandige richtingen liepen, en langzaam, heel erg langzaam kwam er beweging in de stronk. 
Langzaam, want het kostte enorm veel kracht aan wrikken en wroeten. 
Heel erg veel kracht. 
Zó erg veel kracht dat op het hoogtepunt van mijn fysieke dwang en drang, dat die enorm sterke, metalen spade met een scherp gekraak, zomaar in 2 stukken brak. 
Maar die stronk kwam er niet zomaar uit. 
Zo zie je maar weer: moeder natuur is soms (altijd) sterker dan (wat) de mens (maken kan). 
Gelukkig was ik op dat moment onbespied, want ik vermoed dat als mensen hadden gezien hoezeer moeder natuur de draak met me stak, ze me hartelijk uit hadden gelachen. 

Dus ja: soms zou het echt fijn zijn om niet altijd heel erg Marnix te zijn. 
Ik ben geen grote fietser. Ook niet sinds ik een mooie en luxe 'fat-bike-light' heb, is het niet zo dat de kilometers erop vliegen. De kilo's vliegen er ook niet af, maar dat is alleen maar positief, ik heb geen enkele intentie om een levend geraamte te worden. 
Maar van de week kondigde Ilse aan dat ze een lekker end wilde gaan fietsen. En ik? Ik had niks beters omhanden, en ach, waarom zou ik niet eens lekker de beentjes aan het werk zetten. Gezellig ook, met mijn vrouw op pad. Als een ware gids loodst ze mij door de duizelingwekkende hoeveelheid straten, bochten, afslagen en hindernissen. Als zij er niet was, zou ik aan het einde van de wijk kansloos verdwalen om nooit meer gesignaleerd te worden. 
En lekker fietsen was het. 
We fietsten naar de dierendokter, niet omdat we ineens in de overtuiging zijn dat Jente met haar frequente beestachtigheden beter bediend wordt bij de dierenarts, niet omdat Colette iets anders mankeert dan de voortschrijdende ouderdom, maar omdat het dier wél speciaal voedsel nodig heeft, en dat raakte zo zoetjes aan weer op. 
Daarna gingen we door naar de 'campingwinkel'. 
Die hebben we in Almere ook, en ik moet zeggen dat los van het feit dat ze niet tot de goedkoopsten behoren, het is altijd voordeliger om naar de campingwinkel te fietsen of rijden hier om de hoek, dan naar die arrogante hufters van Obelink ergens tegen de Nederlands-Germaanse grens. 
Aldaar liet mijn eega zien welke camper ze wilde, en dat ze mee deed aan een loterij om het ding te winnen. 
En vandaar gingen we door naar een plantenwarenhuis ergens in de outback van Almere. 
Een hele tocht, waarbij we er mijns inziens nogal stupide uit moeten zien. Fietsend met in elke fietstas in de wind ruisende flora. 
Maar goed, dat overleefde de barre tocht, en bij thuiskomst wilde ik eerst wat versnaperingen ter aanvulling van de verstookte energie uit mijn lijf, om vervolgens naar ons domeintje te rijden om het nieuwe struweel in de grond te doen. 
Dat lukte allemaal best aardig. 
Bij thuiskomst, moest ik mijn fiets nog in de schuur zetten, maar waar ik ook zocht: ik nog de sleutels nergens vinden. 
Ilse, met haar zoek-en-vind-kwaliteiten, kon mijn sleutels nergens vinden. 
Jente: druk bezig met een slaappartijtje met haar vriendinnetje: geen interesse, geen sleutels. 
Het verschil met de hierboven beschreven zoektocht naar de ring: totale acceptatie. Ik wist dat ik ergens een reservesetje had, en ja: ik ergerde me mateloos, maar ik accepteerde dat ik nu eenmaal nog best wel een record had gezet wat betreft het NIET kwijtraken van mijn sleutels. Onhandig was het wel. 
Frustrerend ook. Maar geen verbaal braaksel deze keer. 
Ilse sommeerde me om toch maar terug te rijden naar ons domeintje, want de enige mogelijkheid was dat ik mijn sleutels daar ergens had verloren. 
Dat deed ik. Mijmerend over mijn vermogen om dingen kwijt te raken, even vaak in het volle zicht als gewoon in 'het blauwe niets'. 
Auto geparkeerd, parkeerplaats doorzocht en toen mijn wandeling gereconstrueerd. Blik naar de grond, als een slak om geen centimeter te missen. 
Na 12 stappen zag ik ze liggen: mijn fietsensleutels. 
Ik vrees dat de aanwezige mede-tuinders een nachtmerrie kregen, en nu nog schande spreken van een ongure, ongeschoren vent die slenterend over het paadje liep, een luide juichkreet slaakte, waar alle gaaien, duiven, mussen en roodborstjes spontaan van opvlogen. 
Maar ik heb ze. Ik kan weer fietsen. En in geval van diefstal, kan ik de verzekering gewoon twee originele sleutels overleggen. 
BAM!


Anyway: mijn korte mei-vakantie zit er alweer op. Ik ga er weer voor de volle 64,67% tegenaan.
Ik wens eenieder een best weekend toe.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shenanigans deeltje veel meer.

 Het voelde wat kaal en leeg, maar ik kon dat gevoel niet zo snel plaatsen. Meer zo'n vreemd onderbuikgevoel. En dan niet politiek gezie...